Sum - coolthinking.nl

Maarten van Rossem en zijn gedachten

‘De hedendaagse student is niet dommer dan vroeger. Daar geloof ik geen zak van.’ Stoppelbaard, kettingrokend en zwarte kleding. Maarten van Rossem, universitair hoofddocent van de vakgroep Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en bekend van radio en televisie als Amerika-deskundige. Als er in het land aan de andere kant van de oceaan iets opmerkelijks aan de hand is, wordt hij vaak gevraagd zijn gedachten erover te laten gaan. Maar over alles heeft hij een duidelijke mening. Een gesprek over het Nederlandse onderwijsbeleid en – hoe kan het anders – zijn fascinatie voor de Verenigde Staten.

door Kel Koenen

Maarten van Rossem - coolthinking.nl

‘Zelfs een scheet moet tegenwoordig academisch gevormd zijn’

Het instituut voor Geschiedenis is gevestigd in een historisch pand in de Utrechtse binnenstad. Van Rossem (51) zit al te wachten in zijn kamer. Geconfronteerd met de eerder gedane uitspraak ‘lijst je bul maar in, dat is het enige wat je er nog mee kan’, haalt hij zijn schouders op. ‘Dat heb ik wel eens gezegd. Maar dat lijkt mij nou niet zo’n opmerkelijke verklaring, omdat iedereen weet dat de arbeidsmarkt voor afgestudeerde academici uit de Alfa- en Gamma-wetenschappen bepaald niet best is. Volgens mij is zelfs voor afgestudeerden uit veel Bètarichtingen de arbeidsmarkt niet glorieus. In feite geldt dat dus voor alle academici. En als je dan ook nog geschiedenis studeert, moet je heel goed realiseren dat het veel moeite zal kosten om een baan te vinden. Nu de economie wat aantrekt zal het wel wat gemakkelijker worden, maar de kans dat je als historicus aan de slag komt, is vrijwel nul. Je kunt misschien hier en daar nog leraar worden, maar dan moet je wel eerst zo’n lerarenopleiding volgen. Als je dit alles vastgevroren weet, is het je eigen verantwoording wanneer je geschiedenis gaat studeren. Ik ben geen voorstander van beperkingen in de studievrijheid. Ik geloof nog steeds, geleidelijk aan tegen beter weten in, dat je datgene moet studeren wat je werkelijk leuk vindt. Sommige studenten zeggen: ‘ik wil dolgraag geschiedenis studeren, maar de werkgelegenheid is beroerd, dus ga ik maar rechten doen’. Bij mijn weten is de werkgelegenheid voor rechtenstudenten even belazerd als voor mensen die geschiedenis doen. Dan kan je beter, uit liefde voor het vak, geschiedenis studeren.’

Arbeidmarkt
‘Kijk, dit hele verhaal is te herleiden op de arbeidsmarkt. We leiden in allerlei vakken meer academici op, dan er maatschappelijk behoefte aan is. Daar komt het in grote lijnen op neer. En dat is natuurlijk ook gedeeltelijk de gedachte achter allerlei bezuinigingen vanuit Den Haag. Het idee dat ze daar hebben is van: ‘we leiden al die mensen op, maar waarvoor?’ Het draait om het maatschappelijk rendement. Ik las laatst ergens dat een gemiddelde geschiedenisstudent toch altijd nog vijftienduizend gulden per jaar kost. Nou, daar mag je dan het collegegeld vanaf trekken. Dus de nettokosten liggen altijd nog ruim boven de tienduizend gulden. Ja, als dan het maatschappelijk rendement in feite heel klein is, moet er niet verbaasd gereageerd worden als de overheid verder probeert te korten. Daar komt bij dat de overheid natuurlijk al twintig jaar bezuinigt en de veranderingen worden sterk gestuurd door de bezuinigingsdrang. Dat vind ik ook verkeerd, maar het is de werkelijkheid. De begrotingsdiscipline heeft in de afgelopen twee decennia nou niet bepaald overgehouden in Nederland. Daarin zijn we overigens vergelijkenderwijs volstrekt niet uniek, want dat fenomeen heeft zich vrijwel overal voorgedaan.’ Maar hoe kan een universiteit daar dan het beste op inspelen?

‘Dat zou ik niet precies weten. Nou ja, er is nu weer sprake van een structurele herschikking van het universitair onderwijs. Daar is althans in de formatie over gesproken. Nuis heeft dat toen verdedigd, dat er een vernieuwde tweefasen-structuur moet komen. Hierbij zou de eerste fase dan drie jaar zijn en de volgende fase gereserveerd worden voor een beperkt aantal studenten, die nog twee jaar verder zouden mogen, of iets dergelijks. Hoe het nou precies met die plannen gesteld is, daar hoor ik niet zo verschrikkelijk veel meer over. Dat was zo’n ballonnetje wat die politici dan oplaten, maar wat ze er mee gaan doen blijft vrij onduidelijk. Het is een constructie waar ik op zichzelf niet principieel tegen ben. Het zou zeker onderzocht kunnen worden. Persoonlijk vind ik eigenlijk dat de verschillende opleidingen en universiteiten meer vrijheid moeten krijgen om zelf te experimenteren met fasering of tijdsduur. Bovendien denk ik dat je voor de verschillende studies, verschillende eisen moet stellen. Met dit idee moet het niet zo gaan als met het vorige plannetje. Er is toen eindeloos over dat tweefasen-model geluld en tenslotte hebben we gewoon maar een fase gekregen en die tweede hebben ze gemakshalve vergeten. Of moeten we het AIO-wezen als zodanig beschouwen? Er zijn zo weinig mensen die daar instromen, dat kun je niet serieus als een tweede fase beschouwen. Maar als het dus drie jaar is, waarbij je de garantie krijgt dat de veertig procent die het leuk gedaan hebben nog twee jaar door mogen voor een vervolgopleiding, dan mag dat van mij. Toch zal ik het allemaal eerst eens moeten zien. Ik ben nu over de vijftig en werk  vierentwintig jaar voor de universiteit. We hebben nu vijftien jaar plannen achter de rug: structurele veranderingen, bezuinigingen en  herschikkingen. Ik ben nogal eens geneigd te denken: ‘Ze rotzooien maar wat aan. Mijn tijd zal het wel duren.’ Een soort veranderingsmoeheid. Ik denk dat er met de nieuwste plannen goed opgelet moet worden dat we niet drie jaar krijgen, waarbij de tweede fase vervolgens ook weer door de neus wordt geboord. Dat zou een bezwaarlijke ontwikkeling zijn. Maar zoals iedereen weet: ze zijn tot alles in staat in Zoetermeer. Daar moet scherp op gelet worden.’

Getikt
Vaak wordt gesuggereerd dat de huidige studentenpopulatie in veel opzichten verschilt van vorige generaties. Studenten zouden luier zijn en minder intelligent. Van Rossem heeft, na een kwart eeuw onderwijs te hebben gegeven, een aardig inzicht in de hedendaagse student. ‘Het is een favoriete stelling, die je veel in de media hoort. Het zou nu veel beroerder zijn dan vroeger, de studenten waren beter, werkten harder en bezaten om een geheimzinnige reden meer intelligentie. Wat natuurlijk een buitengewoon onwaarschijnlijke hypothese is. Daar geloof ik dus ook absoluut geen zak van. Wat je hoogstens kan zeggen is dat het aantal studenten sterk is toegenomen. Toen ik hier medewerker werd, hadden we, pak ‘m beet zestig eerstejaars. Toen heeft zich in de jaren zeventig een immense groei voorgedaan, die tenslotte begin jaren tachtig culmineerde in aantallen van tweehonderdvijftig studenten. Er was toen zelfs een numerus fixus voor geschiedenis. Sinds die tijd is er weer een daling opgetreden, we zitten nu op honderdvijftig eerstejaars, ofzo. In dat toenemende aantal zit de crux, waardoor mensen denken dat het allemaal zoveel minder is geworden. Als je vroeger geschiedenis ging studeren, was je toch min of meer getikt. Dat was geen vak, maar een hobbyisme. Daar moest je echt bewust voor kiezen. Geschiedenis is door die massaliteit een veel normaler studievak geworden. Dat grote aanbod leidde ook tot een heel aantal mensen, waarbij de motivatie te wensen overlaat. Van die mensen die denken van: ‘ja, ik mot wat studeren, maar ik heb een beetje ongelukkig pakket, dus ik ga geschiedenis doen. Maar het idee dat studenten dommer zijn geworden, wil er bij mij niet zo in. Je zou hoogstens kunnen zeggen dat, wellicht voor een grotere groep, de motivatie minder is dan vroeger. Ook het gerucht dat studies vroeger efficiënter zouden zijn geweest, is simpelweg gelul. In mijn jaar viel ook veertig procent af. Het is nu iets hoger, geloof ik. Het ligt rond de vijftig. Maar het aantal is veel groter geworden. In mijn jaar zijn van de zeventien mensen er, ik geloof, zes niet afgestudeerd. Maar als natuurlijk veertig procent van tweehonderdvijftig niet afgestudeerd is, dan maakt dat een dramatischer indruk, om het zo maar te zeggen. Wat er altijd geweest is, en wat de discussie in de media nauwelijks oppikt, is dat de niveauverschillen zo ontzaglijk groot zijn. Dat zijn ze altijd al geweest. Je hebt een brede middengroep van brave mensen die redelijk hun best doet en als ze dan maar een beetje zitvlees hebben, draaien ze tenslotte met zesjes en zeventjes de studie door. Daarnaast is er een wat kleinere groep van wanhopige gevallen. Deze zijn vaak slecht  gemotiveerd, soms hebben ze simpelweg niet het talent om een stukje te schrijven. Dat is of worstelen, of ze verdwijnen tenslotte. De derde groep zijn de ijverigen. Ik zie eigenlijk niet dat dat zo veranderd is, buiten de getalsmatige verhouding. Maar dat komt door, laten we zeggen, structurele veranderingen in de samenleving. Je kunt tegenwoordig geen scheet meer laten, of je moet academisch gevormd zijn. Als jij beleidsmedewerker bij de plantsoenendienst te Venlo wilt worden, dan vragen ze daar academici voor. Terwijl het natuurlijk zo klaar als een klontje is dat iemand met Mavo-B dat werk ook uitstekend zou kunnen doen. Het hele opleidingsniveau in Nederland drijft als het ware langzaam naar boven.’ Meer selectie aan de poort? ‘Nee, daar ben ik een tegenstander van, overigens om een andere reden dan u waarschijnlijk denkt. Selectie aan de poort zou betekenen dat het  Vwo-diploma niet langer toelaat tot de universiteit. Dat zal naar mijn idee leiden tot een vrij snelle, verdere en ingrijpende verloedering van het middelbaar onderwijs. En dat is naar mijn idee =E9=E9n van de gevaarlijkste dingen die we kunnen laten gebeuren. Als je ontevreden bent met het niveau van de modale student kun je veel beter de middelbare scholen verbeteren. Dan moet daar het niveau omhoog. Die hele pakkettenboel moet de deur uit en de discipline moet daar vergroot worden. Een goede, solide middelbare school is belangrijker dan allerlei hervormingen in universitaire kring. Waar je vooral voor moet oppassen zijn Amerikaanse toestanden, waarbij die highschool in vele gevallen geen reet voorstelt. Daar leer je een appeltaart bakken en hoe ski’s ondergebonden moeten worden. Daarmee heb je het wel gehad. Dat is een rampzalige ontwikkeling. Diegenen die goed scoren in het academisch onderwijs zijn de mensen van gymnasia. Het ministerie is wel altijd bezig met het pesten van deze scholen, maar het is zinvoller om te kijken waarom ze beter presteren. Er wordt daar geleerd om dieper en analytischer naar de stof te kijken. Dus verbeter het niveau van de middelbare scholen, dat heeft veel meer zin. Maar ja, ze moeten daar in Zoetermeer natuurlijk wat te doen hebben en zodoende worden we eindeloos overstroomd met nieuwe plannetjes, ideetjes en veranderingen. Het zou nuttig zijn om het onderwijsveld eens met rust te laten. Ik denk wel eens dat, als het ambtelijk personeel naar huis is, het ministerie getroffen zou moeten worden door een exocetraket. Dan hebben we misschien een tijdje geen last van ze.’

Onchristelijk
Van Rossem is buiten de universitaire wereld vooral bekend van zijn gastoptredens in Nova, het Capitool en andere nieuwsrubrieken. Het draait dan steevast om de Verenigde Staten. Als deskundige verduidelijkt hij dan, de in onze ogen, ‘rare’ Amerikaanse samenleving. ‘Mijn interesse voor het land begon met de Amerikaanse politiek. Ik las, in mijn tweede jaar, het boekje van Theodore White, The making of the president, 1960. Dat vond ik prachtig. Ik had toch de neiging om het af te zetten tegen het Nederlandse politieke bedrijf en de landspolitiek lijkt hier wel gemeentepolitiek. Dat boek van White is heel heroiserend geschreven, maar zorgde ervoor dat ik enorm gefascineerd raakte in de Amerikaanse politiek. Het is een hagiografie van Kennedy en ik zie nu alle beperkingen daarvan in, maar vanaf dat moment was ik er wel aan verslingerd. Daarna kwam de narigheid: de moord op JFK, de oorlog in Vietnam en de rassenkwestie. Ik ben opgegroeid met een heel positief Amerika-beeld, zoals iedereen in de jaren vijftig. Maar die discrepantie tussen die twee beelden, dat hele negatieve beeld van de jaren zestig en het positieve beeld dat we allemaal hadden van Amerika; het paradijs op aarde, waar iedereen twee auto’s heeft, een leuk wit planken huis en een prachtige tuin waar ze de hele dag staan te barbecuen. Dat de werkelijkheid anders is, daar ben ik ook pas later achter gekomen. En we hebben natuurlijk tegenwoordig CNN, waardoor je er met je neus op staat. Vroeger, begin jaren zestig, was het land ver weg. Van de Amerikaanse presidentiele campagne zag je op het NTS-journaal een keer in de maand een flits van een minuut in zwart-wit. Nu schakel ik kanaal vijftien in op mijn TV en sta er met mijn neus bij. Het geeft me nog steeds een geweldig geluksgevoel als je dan bij die eerste primary in New Hampshire, via CNN alle ins en outs hoort. Maar het is natuurlijk een beetje een afwijking. Dat is wel duidelijk.’

 U bent begonnen met een positief Amerika-beeld en dat is geleidelijk aan veranderd…? ‘Nee, het heeft alleen maar de fascinatie vergroot. Hoe komt het dat in alle opzichten zo’n ongelofelijk onrechtvaardige samenleving is? Hoe is het mogelijk dat een cultuur die zichzelf christelijk noemt en bovendien de godganse dag over die christelijke waarde zit te zeiken en te zeuren en bij de meeste gelegenheden meteen gaat bidden en religieuze liederen aanheft, tegelijkertijd zo enorm onchristelijk is? De enorme inkomensverschillen, de trieste toestand van de zwarte ghettobevolking, de discriminatie van alle mogelijke minderheden, dat geeft in de Amerikaanse politiek een immense spanning. Als we dat vergelijken met Nederland en haar brede consensus, waar het Schengen-pasje toch de zaak van allergrootste opwinding is voor Jan en alleman, dan word je daar natuurlijk een beetje lacherig van. Maar het duidt wel aan dat Nederland een aardige samenleving is voor de modale burger.’

Oklahoma
De bomaanslag op het federale overheidsgebouw in Oklahoma-stad veroorzaakte een schokgolf door het land. Met deze bom werd letterlijk de overtuiging weggeslagen, dat men in het heartland, het gezapige midden van de Verenigde Staten, goed kon leven zonder terroristische terreur die men kende van het verre New York of het vreemde Europa. Direct na de aanslag suggereerde men dat de daders terroristen uit het Midden-Oosten geweest waren. ‘Toen men erachter kwam dat de daders Amerikaanse terroristen bleken te zijn, was de schok enorm. In =E9=E9n klap had men er een nieuw trauma bij.’ Volgens Van Rossem is de afkeer van veel Amerikanen tegen de federale overheid niet een nieuw verschijnsel. ‘Er bestaan al sinds het ontstaan van het land groepen mensen of paramilitaire organisaties die zich tegen Washington DC richten. In het (mid-) westen en zuiden ageert men al tijden tegen de politieke en culturele dominantie van het noordoosten van het land. De afkeer van de federale overheid is groot, want die instantie heft alleen maar belastingen zonder dat de inwoners er iets van terugzien. Met de bomaanslag op het World Trade Centre in New York maakte de VS drie jaar geleden al kennis met het terrorisme zoals men het kende uit Europa of de rest van de wereld. Nu ziet men in dat ook Amerikaanse extremisten hiertoe in staat zijn. Voor een observant, zoals ikzelf, blijft het fascinerend om waar te nemen. En als je dan stiekem de vergelijking maakt, je mag het wel niet met zoveel woorden zeggen, dan hebben we het in Nederland toch aardig voor elkaar.’

Sum - coolthinking.nl

Dit artikel verscheen eerder in Sum 04 – juni 1995