IQ

Een pikorde tussen sterren

Entertainment is big business. Het Amerikaanse zakenblad Forbes weet dat al langer en publiceert ieder najaar een lijst met de veertig belangrijkste namen uit de entertainmentindustrie. De vrienden Steven Spielberg en George Lucas bezetten respectievelijk de eerste en tweede positie en gunnen plaats drie aan de grand lady van de talkshows, Oprah Winfrey.

door Kel Koenen

De zware afvaardiging van Hollywood in de top drie is een teken aan de wand voor de gehele lijst. Maar liefst meer dan de helft van de veertig namen zijn werkzaam in de filmindustrie als acteur, regisseur, scenarioschrijver of producent. Of in een combinatie van deze professies.

Voor de statistieken: de nummer één van de lijst, Steven Spielberg, was vorig jaar nog runner up met een totaal aan verdiensten van dertig miljoen dollar. Dit jaar kon hij daar 283 miljoen dollar bij optellen, waardoor hij bijna honderd miljoen dollar méér verdiende dan de nummer twee. Voornaamste cashcows voor Spielberg waren de blockbusters Men in Black, waarvan hij de productie deed en de regie van Jurassic Park: The Lost World. De wereldwijde opbrengst bedroeg begin november al meer dan een half miljard dollar en de film is voorlopig nog niet uit de bioscopen.

Producent en regisseur George Lucas kwam vorig jaar niet eens voor op de lijst van Forbes en dankt zijn tweede plaats dit jaar aan de heruitgave van het opgekalefaterde StarWars-drieluik. Er is inmiddels een begin gemaakt met de prequel van de serie, waarvan de drie nieuwe delen rond de eeuwwisseling in de bioscoop moeten verschijnen.

Tom Cruise is de eerste acteur die voorkomt op de lijst op plaats negen en is ten opzichte van vorig jaar acht plaatsen gestegen. Toen moest hij trouwens nog de collega’s Tom Hanks, Jim Carrey en Arnold Schwarzenegger voor zich dulden. De Oostenrijkse krachpatser staat dit jaar op plaats tien, Carrey is teruggevallen naar de 26ste positie en Hanks komt zelfs helemaal niet meer voor. Overige acteurs in de top veertig: Harrison Ford (11), Tim Allen (13), John Travolta (17), Mel Gibson (18), Robin Williams (28), Eddie Murphy (29), Kevin Costner (35), Michael Douglas (37). De laatstgenoemde vormt de hekkensluiter van de Hollywood-acteurs. De oververtegenwoordiging van Tinseltown als grossiers van de entertainment-inkomsten is de basis van een discussie die al langer speelt; De exorbitante verdiensten van een selecte groep acteurs en actrices.

Filmsterren moeten net zo zijn als het grote publiek, maar eigenlijk ook niet. We zien ze graag in een wereld vol glamour, maar ze mogen zeker niet verwaand zijn. Onze bewondering voor de ster op het grote doek voedt in essentie ons eigen narcisme. Eén ding is zeker: we willen helemaal niet weten dat de gemiddelde grote naam in Hollywood tien miljoen dollar of meer verdient voor een slechte film. Of zelfs maar voor een goede film. Tien, vijftien of twintig miljoen dollar als honorering is obsceen. En zonder gêne, want in andere beroepen komen dat soort salarissen op projectbasis helemaal niet voor. Minister-president Wim Kok verdient rond de twee ton per jaar, Bill Clinton neemt 200 duizend dollar mee naar huis en de Engelse premier Tony Blair krijgt jaarlijks 75 duizend pond bijgeschreven op zijn rekening. De acteur Charlie Sheen krijgt ruim vijf miljoen dollar per film. Er is iets mis met dit plaatje. Hollywood is tegenwoordig in een spiraal terechtgekomen, waar ze maar moeilijk uit kan komen.

De film Striptease van vorig jaar is een mooi voorbeeld. Deze film bracht in de eerste week van release slechts 12,3 miljoen op, waarmee het honorarium van hoofdrolspeelster Demi Moore – twaalfeneenhalf miljoen dollar – niet eens was terugverdiend. Maar wie treft in dit geval de meeste blaam? Moore heeft nog nooit kunnen dienen als grote publiekstrekker. In haar meest succesvolle films had ze altijd een acteur van naam tegenover zich, zoals Michael Douglas in Disclosure en Tom Cruise en Jack Nicholson in A Few Good Men. Films die het van alleen haar naam moesten hebben – the Juror en the Scarlet Letter – stierven een snelle dood. Toch heeft de actrice met G.I. Jane van regisseur Ridley Scott een nieuwe kans gekregen, met aanzienlijk meer succes. In de Verenigde Staten heeft de film al vijftig miljoen dollar opgebracht en wereldwijd moet de film zelfs nog in release.

Een ander voorbeeld is Jim Carrey. Deze grappenmaker met het meest rubberen gezicht ter wereld stond garant voor een aantal enorme kassakrakers, voordat hij zijn oeuvre wilde vergroten. Voor een hoofdrol in het sadistische The Cable Guy kreeg hij twintig miljoen dollar, een bedrag dat de salarisadministratie van Hollywood deed overkoken. Helemaal toen de film géén succes had in de bioscoop. Men ziet Carrey kennelijk alleen maar als bekkentrekker. De recht-toe-recht-aan-komedie Liar, Liar bewees eerder dit jaar dat het publiek in grote getale nog wel degelijk geld overheeft voor Carrey.

Wie overigens denkt dat het publiek naar de bioscoop rent voor de ster in de hoofdrol komt bedrogen uit, hoewel hun salarissen dat zeker doen vermoeden. Films die het alleen moeten hebben van starpower en ook succes hebben, zijn erg zeldzaam. Vandaag de dag wil het verwende publiek een goed verhaal. Of harde actie, dino’s of ruimteschepen. De meest succesvolle film van vorig jaar, Independence Day, werd niet gedragen door hele grote sterren. Hetzelfde geldt voor 1997. De (menselijke) hoofdrolspelers in Jurassic Park: The Lost World van Steven Spielberg hebben stuk voor stuk vriendelijke en herkenbare gezichten. Maar niemand zal The Lost World typeren als een Jeff Goldblume-film.

Toch denkt de filmindustrie graag in clusters. Naast Carrey en Moore behoren ook Harrison Ford, Sylvester Stallone, Tom Cruise, Tom Hanks, Kevin Costner, Michael Douglas, Clint Eastwood, Mel Gibson, Sean Connery, Brad Pitt, Whoopie Goldberg, Robert Redford, Julia Roberts, Robin Williams, Bruce Willis, Arnold Schwarzenegger en John Travolta tot de grootverdieners van de industrie. Maar wat zijn grootverdieners? Zelfs acteurs met een marginale status tekenen tegenwoordig contracten van zeven cijfers, terwijl de eredivisie van Hollywood voor niet minder dan acht cijfers zelfs maar de moeite neemt om een script te lezen. Een televisie-acteur als George Clooney maakte dit jaar de overstap naar het witte doek en vraagt al tien miljoen per film. Ook de jonge Alicia Silverstone kan na het succes van het flinterdunne Clueless drie miljoen dollar per film vragen. Sandra Bullock doet het zelfs niet voor minder dan tien miljoen.

De indeling in een bepaalde categorie heeft te maken met een aantal factoren.

Eén van de argumenten voor de grootverdieners is hun aanwezigheid op de meest exclusieve lijst van de filmindustrie: de namen van sterren die een film kunnen ‘openen’. Hun status garandeert, met name in de VS, een grote opbrengst in de eerste, cruciale week. Na die week kijken namelijk veel bioscopen of de film geprogrammeerd blijft. Uiteraard is het aantal schermen voor de film belangrijk, des te meer bioscopen, hoe hoger de omzetten. Met gemiddelde kosten van vijftig miljoen dollar per film is die lijst een belangrijke rol gaan spelen. Sean Connery staat er al bijna dertig jaar op en ook Robert Redford niet minder lang. Overigens is de lijst niet exclusief voorbehouden aan alleen acteurs of actrices. Steven Spielberg is erop vertegenwoordigd als regisseur en producer, evenals als Oliver Stone. Maar ook schrijvers als Tom Clancey, John Grisham, Michael Crichton en Stephen King behoren tot de gelukkigen.

Het lijkt een contradictie, maar éénmaal op de lijst kan de persoon zich een aantal misstappen (lees: flops) permitteren, voordat hem de toegang tot het heilige der heilige wordt ontzegd. Julia Roberts had in jaren geen succesvolle film afgeleverd en werd geschrapt voor In Love and War, nadat de studio haar vraagprijs van twaalf miljoen dollar weigerde te honoreren. Voor haar rol in My Best Friend’s Wedding kreeg ze wel haar standaardprijs. Met succes, de film heeft in de VS afgelopen zomer ruim 123 miljoen dollar opgeleverd en met de rest van de wereld meegeteld staat de teller zelfs op meer dan 170 miljoen. Daarmee heeft Roberts in ieder geval haar plaats op de lijst voor een aantal jaren veiliggesteld.

Het gezegde ‘De ster is zo goed als diens laatste film’ gaat tegenwoordig dus niet helemaal meer op. Eenmaal op de lijst krijgt de ster een beschermende coating, een teflonlaagje dat hem moet behoeden voor misstappen.

Het zijn van een ster alleen is vaak niet voldoende voor een goede opening van de film. Jack Nicholson en Meryl Streep zijn sterren – zonder enige twijfel – maar komen voor in de marge van de lijst. Deze namen kunnen een hitfilm mogelijk maken, maar hun namen garanderen géén lange rijen bij de kassa na de première. In de jaren van Spencer Tracy, Audrey Hepburn en Clark Gable ging het publiek speciaal voor hen naar de film en ook nog in de eerste week. Tegenwoordig zijn er talloze vormen van ontspanning, dus maakt het publiek eerst de afweging óf ze überhaupt naar de film gaan en daarna pas naar wélke film.

Daarnaast is absolute sterrenstatus niet altijd voldoende om de kar te trekken. Als hij Shakespeare doet, is een superster als Mel Gibson (Hamlet) bijvoorbeeld geen grotere publiekstrekker dan bijvoorbeeld Kenneth Branagh (Much Ado About Nothing). Als een superster al een artfilm doet, blijft de film qua resultaten toch meer een artfilm. Om een publiekstrekker te zijn, moet de ster ook een rol hebben waar het publiek hem mee identificeert. Een actieheld als Mel Gibson moet niet ineens rondhuppelen in panty’s als Hamlet.

Zelfs tussen de namen op de lijst bestaat een zekere hiërarchie. Het gezegde ‘schoenmaker blijf bij je leest’ gaat hier dus wel op. Actiesterren als Arnold Schwarzenegger en Sylvester Stallone vragen veel geld voor het openen van een actie-avontuur en Jim Carrey doet hetzelfde voor een komedie. Zij zijn niet zo veelzijdig als Tom Cruise of Harrison Ford, die in principe iedere film een goede eerste week kunnen geven.

In Europa was het al langer bekend, maar ook Hollywood krijgt langzaam het besef dat de wereld groter is dan de VS alleen. Vorig jaar kwam meer dan de helft van Hollywoods inkomsten uit de rest van de wereld. Daarom moeten de namen op de lijst het vermogen hebben om een film overal te dragen.

Zo is de Belgische kickbokser/acteur Jean Claude van Damme een matige keus om met die film quitte te spelen, maar wereldwijd is hij een enorme publiekstrekker. Hetzelfde geldt voor een actrice als Sharon Stone. In de VS was haar laatste hit Basic Instinct van Paul Verhoeven, maar in het buitenland doet zij het altijd goed. Geloof het of niet, Charlie Sheen doet het vooral goed in Azië, de enige reden waarom hij ruim vijf miljoen dollar per film verdient.

The Client, een film met Tommy Lee Jones en Susan Sarandon naar het gelijknamige boek van John Grisham, deed het bijzonder goed in de bioscoop. En dat zonder de aanwezigheid van ‘echte’ sterren in de film. Het succes was dan ook voornamelijk toe te schrijven aan de fans van Grisham. Hetzelfde geldt voor een film als Congo. Geen aansprekende cast en erg slechte kritieken. Toch opent de film met ruim 22 miljoen dollar. Enkel en alleen omdat de schrijver van het verhaaltje – Michael Crichton – ook bestsellers als Jurassic Park en Disclosure op zijn naam heeft staan.

De belangrijkste reden om op de Hollywood powerlist te worden gezet voor de ster is het afleveren van een onverwacht commercieel succes. Julia Roberts bereikte dat bijvoorbeeld in ’91 met Pretty Woman, Bruce Willis met de eerste Die Hard en Jim Carrey met Ace Venture: Pet Detective. Vooral de laatste is de verpersoonlijking van salarissen die door het plafond gaan. Carreys prijs steeg van zevenhonderdduizend naar tien miljoen dollar voor zijn volgende film.

Daarnaast is het consistent afleveren van goede prestaties ook een manier om de lijst te bereiken, met Tommy Lee Jones als exponent. Na jarenlang sterk acteren in bijrollen heeft de acteur nu de status bereikt van zijn naam boven de titel van de film. Zijn actiespektakel Volcano kon verkeerd uitpakken, maar met een opbrengst van xxx miljoen dollar alleen al in de VS, lijkt hij voortaan een sure bet.

De club van het grote geld in Hollywood is bijna uitsluitend mannelijk. De hoogste opbrengsten worden gerealiseerd bij actiefilms en komedies, een mannelijk gedomineerd genre. Uitzonderingen zijn Roberts, Moore, Goldberg, Stone en Bullock. Toch wordt er niet vaak een beroep op hen gedaan om een film alleen te dragen. Daarnaast komt het vaak voor dat als een film succesvol is, de eer wordt gedeeld met de mannelijke tegenspelers. Meer nog dan hun mannelijke collegae moeten actrices in de gaten houden of het aangeboden werk wel in hun straatje past. Daarbij zijn de verschillen in salariëring tussen verschillende actrices ook veel groter. Ruim twaalf miljoen dollar per film voor Moore en Roberts en tien miljoen voor Bullock of Stone zijn onvoorstelbare bedragen. Zeker gerelateerd aan bijvoorbeeld Michelle Pfeiffer die ‘slechts’ negen miljoen dollar per film ontvangt. En dat terwijl de actrice al jaren meeloopt, nooit een slechte prestatie aflevert en altijd publiek weet te trekken. Gerekend naar die standaard lijdt het geen twijfel dat twee kwaliteitsactrices als Holly Hunter en Jennifer Jason Leigh, die respectievelijk 2,5 en één miljoen dollar per film krijgen, zwaar worden onderbetaald. De mega-salarissen zijn volledig uit het lood geslagen. Zeker vergeleken met een aantal jaren geleden, omdat het publiek toen naar de bioscoop ging voor Clark Gable of Humprey Bogart, waardoor de waarde van de ster beter was vast te stellen. ‘Ik ben benieuwd wanneer de nieuwe Sandra Bullock-film gaat draaien,’ lijken maar weinig mensen te denken tegenwoordig.

De ironie wil dat vroeger toen een acteur écht het verschil uitmaakte voor het succes van de film, de sterren erg weinig verdienden. Op het hoogtepunt van zijn carrière verdiende Clark Gable tweehonderdduizend dollar per jaar, ongeveer vijftigduizend per film. Voor die tijd weliswaar veel geld, maar klassiekers als Gone with the Wind en Mutiny on the Bounty brachten een veelvoud van dat salaris op. Jean Harlow verdiende in 1933, met haar films Dinner at Eight en Bombshell, een bescheiden 78 duizend dollar.

In 1929 verdiende John Gilbert, ster van de stomme film, het meest van alle acteurs in Hollywood. Zijn toenmalige 520 duizend dollar zou anno 1997 neerkomen op een inkomen van acht miljoen dollar per jaar. Gilbert speelde in 1929 in drie films, dus een kleine drie miljoen dollar per film. Dat is minder dan een acteur als John Malkovich tegenwoordig krijgt voor een rol.

Toen Greta Garbo de best betaalde actrice van het jaar was, verdiende ze 250 duizend dollar per film. Tien jaar later droeg Barbara Stanwyck die titel en verdiende ze maar 225 duizend dollar per film.

Tegenwoordig is dat proces omgedraaid. Bruce Willis ontving in 1988 vijf miljoen dollar voor Die Hard. Een enorm bedrag voor een acteur, die alleen een succesvolle televisieserie op zijn naam had staan. Negen jaar later is de prijs van Willis verdrievoudigd tot zestien miljoen, terwijl een simplistische lolbroek als Chris Farley (!) vijf miljoen dollar per film krijgt.

De explosieve groei van de salarissen doet Tinseltown schudden op haar grondvesten. Ook een direct betrokkene als Tom Cruise lijkt dat te onderkennen. ‘Het is bizar,’ vertelde hij aan Entertainment Weekly eerder dit jaar. ‘Volgens mij leven we in een ander melkwegstelsel met dit soort verdiensten.’ Nobele woorden, maar met zijn vraagprijs van twintig miljoen dollar per film behoort hij wel tot de absolute top.

Maar zijn de acteurs wel verantwoordelijk voor dergelijke bedragen? Het zijn de studio’s die het betalen. Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon. Sterren hebben altijd al enorme bedragen verdiend, zeker vergeleken met ‘gewone’ banen in de maatschappij. Er zijn een aantal theorieën die de ronde doen. Soms is het de werking van de markt: het aantal films stijgt, terwijl de acterende populatie min of meer gelijk blijft. Ten tweede denkt men dat met video-distributie en wereldwijde verkopen zoveel geld binnenkomt, dat ze in Hollywood van gekkigheid niet weten hoe ze het allemaal moeten uitgeven.

Daarnaast is er de Mark Canton-theorie. Het hoofd van Columbia TriStar-studio’s bood Jim Carrey de twintig miljoen dollar om te spelen in The Cable Guy. Dat bedrag was het dubbele wat acteurs als Harrison Ford en Mel Gibson kregen, waardoor deze acteurs genoodzaakt waren om hun prijs te verhogen. Canton maakte zich niet geliefd met de Carrey-deal. Een topman van een concurrerende studio meldde in Entertainment Weekly ‘dat Columbia de zelfvernietiging van de industrie in werking heeft gezet’. Canton zelf ziet dat uiteraard anders. ‘Het is heel simpel,’ vertelde hij EW. ‘Het was puur een zakelijke beslissing. We betaalden Carrey gewoon zijn marktwaarde.’ Op zich niet eens zo raar: Carreys vier voorafgaande films brachten stuk voor stuk méér dan honderd miljoen dollar op in de Verenigde Staten.

Dit is de kerngedachte achter de mega-salarissen. Voor de studio’s is het gewoon een hele dure verzekeringspremie. De garantie dat het publiek sowieso naar de film gaat. Jodie Foster, bij wie de meeste nadruk ligt op kwaliteit, onderschrijft die stelling. Foster kreeg negen miljoen dollar voor Contact, een geheide Oscarwinnaar van regisseur Robert Zemeckis. Tegen EW wilde ze de salarissen helemaal niet verdedigen. ‘De acteurs of actrices zijn de enigen die een film maken of breken. Een productie met Tom Cruise gaat in de Verenigde Staten op 2500 schermen in première. Dat betekent dat de studio binnen twee weken zijn salaris heeft terugverdiend.’

Het is een misvatting te denken dat slechts een handvol acteurs de volle mep krijgen. De hoogte van de supervergoedingen heeft ook invloed op de salarissen van de subtoppers. Een bijrol voor iemand als Tom Arnold kost ook al snel anderhalf miljoen dollar. En de kosten houden daar niet op. Het zijn niet alleen de salarissen, maar ook de wensen van de acteurs. Zijn trailer moet voorzien zijn van alle luxe, en zijn vaste kapper en visagiste moeten worden ingehuurd. Daarnaast gebruiken ze privé-assistenten en eigen chauffeurs.

De meeste studio’s proberen de kosten enigszins in de hand te houden. Zoals de keuze voor acteurs en actrices in bijrollen die minder bekend – dus goedkoper – zijn. De productie wordt dan een kind met een waterhoofd: veel geld voor de hoofdrolspeler en flinke bezuinigingen op de rest.

Spelers in bijrollen zonder grote bekendheid zitten in de hoek waar de klappen vallen. Hun salarissen zijn er de laatste jaren niet op vooruit gegaan.

Op die tendens reageerde Richard Masur, voorzitter van de vakbond Screen Actors Guild (SAG) vorig jaar al bezorgd. ‘De toplaag eist al het geld op en alle anderen zitten klem op hun eigen niveau. De kern van de industrie wordt op deze manier afgeknepen.’

Een verandering van deze situatie is onvermijdelijk. Van een eventuele salariscorrectie zijn al enkele tekenen aan de wand geweest. Nicolas Cage vroeg negen miljoen dollar voor de hoofdrol in Face/Off, maar Paramount wimpelde die eis af en de acteur moest genoegen nemen met ‘slechts’ zes miljoen. Verder is niet iedere acteur altijd even hebberig met zijn vraagprijs. Dure acteurs zijn soms bereid, in een poging om de kosten van de productie laag te houden, om genoegen te nemen met een gedeelte van de winst. Toch kan die constructie erg lucratief zijn. Tom Hanks verdiende op die manier meer dan zestig miljoen dollar aan Forrest Gump. Ook sterren als Bruce Willis, Nicholas Cage en John Travolta accepteren af en toe een laag salaris om te kunnen spelen in low budget-films, maar wel van een hoge artistieke kwaliteit. Zo speelt Stallone in het recent uitgebrachte Copland voor een honorarium dat minder is dan het bedrag hij jaarlijks uitgeeft aan sigaren. De zogenaamde cheap chic genoemd, om te laten zien hoe serieus de acteur is over zijn vak.

Aan de ene kant komt het publiek niet meer naar de film alleen en exclusief voor de ster, toch blijven de studio’s inzetten op starpower als garantie voor hoge omzetten. Daarnaast moet de film ook passen binnen het concept van een film. Een ster in de juiste film, zoals Tom Hanks in Forrest Gump, is een garantie voor een ijzersterke opening van de film. Dat gegeven wordt nog te weinig toegepast door de studio’s. ‘Vaak zetten ze in op de verkeerde persoon,’ meent Steve Tisch, een filmproducent in de LA Times. ‘Er zijn plenty voorbeelden van acteurs die – ondanks het succes van film A – worden ingezet in producties waar ze niets mee hebben. Met desastreuze gevolgen.’

Als de ster in de juiste film zit, zoals Kevin Costner in The Bodyguard, zijn de rendementen verbluffend met een wereldwijde opbrengst van een half miljard dollar. Een verkeerde film als Wyatt Earp kende een opbrengst van ongeveer 25 miljoen, terwijl de film een slordige zestig miljoen had gekost.

Toch was de flop Wyatt Earp overkomelijk voor Costner die daarvoor grote successen had met de eerder genoemde Bodyguard, Dances with Wolves en Robin Hood: Prince of Thieves. Na Waterworld, één van de duurste producties ooit, is het angstvallig stil geworden rond de acteur. Met Tin Cup moet hij nog wel te zien zijn geweest op het witte doek, maar niemand weet in welke bioscoop. ‘De zekerheid die de studio’s toekennen aan een acteur heeft vooral te maken met hun eigen visieloosheid,’ stelt een insider in de LA Times. ‘Een film met een sterk concept zonder hele bekende acteurs kan zichzelf goed verkopen, terwijl andere films mét sterren regelmatig smadelijk onderuit gaan. Volgens mij zijn de meeste films niet goed of slecht. In sommige gevallen kan een ster dan de grijze brij afschudden en zorgen voor meer kaartverkoop.’ Beleid gebaseerd op armoede. ‘De meeste studio’s hebben moeite met originaliteit en zien hun werk als invuloefening. Met name in de zomer- en kerstperiode, die voor zestig procent bijdragen aan de totale jaarlijkse opbrengsten. De enige manier om dan een project groen licht te geven, is de verbintenis met een acteur van de lijst.’ Voorlopig zullen de honoraria in Hollywood alleen maar hoger worden; werking van de markt in optima forma.

Only in America!

 

IQ - coolthinking.nl

Dit artikel verscheen eerder in IQ 08 – december 1997